INTERPERSOONLIJK LEERKRACHTGEDRAG

Interpersoonlijk Leerkrachtgedrag

Om zicht te krijgen op het interpersoonlijk leerkracht gedrag en welk effect dit heeft op de groei van leerlingen is enige achtergrond informatie nodig. Timothy Leary, lid van de Kaiser Foundation heeft onderzoek gedaan aan de University of California (Berkeley, 1950) naar de patronen van gedragsbeïnvloeding. Het interpersoonlijk circumplexmodel (wetenschappelijke term voor de cirkelvormige positionering van variabelen rondom een orthogonaal assenstelsel, Guttman, 1954) werd begin jaren 50 geïntroduceerd door Leary en zijn medewerkers. Het kreeg zijn voltooiing in het boek van Timothy Leary Interpersonal Diagnoses of personality (1957). Het model is meer bekend in de vorm van de Interpersonal Checklist (ICL) van Laforge en Suczek ( Laforge & Suczek, 1955) die als ‘De roos van Leary’ wordt bestempeld.

Het model uit zich in een cirkelvormige ordening met 8 of 16 categorieën van interpersoonlijk gedrag. Deze 16 categorieën, vaak gecombineerd tot 8 octanten zijn niet willekeurig gekozen, maar categorieën van gedrag dat na jarenlang onderzoek (Freedman e.a. 1955, Wiggings 1979, LaForge, 1985) als belangrijke aspecten van interpersoonlijk gedrag werden teruggevonden. De twee assen van het model worden in de persoonlijkheidspsychologie het meeste omschreven als Affiliation (liefde versus haat) en Power (dominantie versus onderdanigheid). Ook spreekt men van macht- en nabijheiddimensies. Elke vorm van interpersoonlijk gedrag wordt bepaald door de mate van acceptatie en affiniteit op de horizontale as in samenhang met de mate van invloed op de verticale as. Dit betekent concreet dat er vier gebieden ontstaan die in Boven – Onder (machtdimensie) en Tegen – Samen (nabijheidsdimensie) te plaatsen zijn. Zo is het kwart dat het gebied Tegen – Boven beslaat, te omschrijven als ‘aanvallend’ gedrag.

Rob Verstegen, bekend om de interactiewijzer geeft hierover aan:

Hierdoor ontstaat er een overzicht van de verschillende manieren waarop mensen zich tot elkaar kunnen verhouden. Persoonlijke kenmerken worden door Leary beschreven in termen van interactioneel gedrag. Hij betoogt dat eigenschappen van mensen niet zijn aangeboren, maar hoofdzakelijk gevormd worden in de interactie tussen mensen. Leary benadrukt hierbij de wederkerige beïnvloeding van de sociale interactie. Het gedrag van A beïnvloedt B en de reactie van B, beïnvloedt A.

Gedrag lokt gedrag uit. Gedragsbeïnvloeding valt te zien in het volgende: ‘als je wilt dat iemand zich anders gedraagt, zul je je eigen gedrag moeten veranderen’. In het model van Leary ontstaan er gedragsinteractiepatronen. We spreken van symmetriepatronen en de complementariteitpatronen. Zo roept ‘boven’ gedrag (dominantie) ‘onder’ gedrag (volgzaam) op en andersom. Dit is een complementariteitpatroon. Bij symmetrie spreken we van hetzelfde gedrag: vijandigheid lokt vijandigheid uit. Samenbelang lokt samenbelang uit. Door middel van ‘De roos van Leary’ kunnen wij in staat worden gesteld elkaars gedrag positief te beïnvloeden.

Interpersoonlijk gedrag van leerkrachten kan door leerlingen beoordeeld worden. Er is op basis van het model van Leary een model ontwikkeld om het leraarsgedrag te meten. (Brekelmans & Wubbels, 1994). Dat is de vragenlijst die gebruikt en ingezet kan worden om het interpersoonlijk leerkrachtgedrag te meten.

figuur 3.1. Het model voor Interpersoonlijk leerkrachtgedrag ( Brekelmans en Wubbel, 1994 ).

In dit model spreken we van machtsdimensie en nabijheidsdimensie. De machtsdimensie gaat over de invloed die de leerkracht heeft in de klas en de mate van dominantie, de nabijheidsdimensie gaat over de emotionele afstand van de leerkracht tot de leerlingen. Hoe meer er sprake is van nabijheid, hoe meer de leerkracht zal voldoen aan de wensen en behoeften van de leerlingen. (Brekelmans & Wubbels). Wanneer een leerkracht hoog scoort op de machtdimensie en laag scoort op de nabijheidsdimensie is er sprake van TB (Tegen – Boven). Het gedrag kan dan worden omschreven als corrigerend. Op deze manier ontstaan er acht sectoren: leidend, vriendelijk, begrijpend, ruimte latend /gevend, onzeker, corrigerend en streng. Als een leerkracht veel invloed heeft in de klas, maar er ook aandacht is voor de wensen en behoeften van de leerlingen, zal de leerkracht vooral leidend en vriendelijk worden gevonden door de leerlingen (Créton & Wubbels, 1984; Brekelmans & Wubbels, 1994). Onderzoek naar interpersoonlijk gedrag van de leerkracht waarbij naar een langere periode wordt gekeken, heeft aangetoond dat leerkrachtgedrag dat gezien wordt als dominant en samen, een positieve invloed heeft op de prestaties van leerlingen. Zowel op affectief als cognitief niveau. (Levy et al. , 2003).

Uit ander onderzoek wordt bevestigd dat leerlingen aangenaam leerkrachtgedrag ervaren als er sprake is van vertrouwen en affectie. Op het einde van een studie van driejarig onderzoek geeft Wentzel (1997)aan:

Notably, a caring teacher “makes class interesting”, “pays attention”, listens”, “trusts me”, “acts as a friend”, and “asks if I need help”. Uncaring examples include: “screams”, yells”, “embarrasses”, “insults” and “doesn’t try to help you”. These are characteristics are closely related to the proximity axe of the two –dimensional ( 2-D) Model for Interpersonal Teacher Behavior described by Wubbels and Brekelmans (p. 43).

Om het beeld van leerlingen en leerkrachten te onderzoeken wordt gebruik gemaakt van de VIL. Deze vragenlijst is ontwikkeld om het beeld van leerlingen dat zij hebben van de leerkracht in beeld te brengen. Deze vragenlijst is gebaseerd op het model zoals in figuur 1 weergegeven. De oorspronkelijke vragenlijst bestaat uit 77 items met vijf – puntschalen. Elk item in de vragenlijst correspondeert met een van de acht sectoren. Hierdoor is vanuit de resultaten van de VIL op te maken wat het beeld van leerlingen is. Voor dit onderzoek is de VIL aangepast naar een versie voor de basisschool zodat leerlingen van groep 5, 6, 7 en 8 deze kunnen begrijpen en invullen.

De vertaling van de VIL vindt plaats naar een Model Interpersoonlijk leerkrachtgedrag, hierna MIL te noemen. Er ontstaat een profiel van de leerkracht dat onder 8 gebieden te typeren valt. De dimensies ‘macht’ en ‘nabijheid’ worden hierbij gekruist en de mate waarin de 8 gebieden tot uitdrukking komen, maken het profiel. Het gedrag van een leerkracht kan als directief, tolerant, moeizaam dominerend, autoritair, tolerant en gezaghebbend, onzeker agressief, gezaghebbend, onzeker tolerant te beschrijven zijn. Zo heeft een leerkracht met een autoritair profiel de 4 gebieden leidend, streng, corrigerend en ontevreden overheersend ten opzichte van vriendelijk, begrijpend, ruimte gevend en onzeker. In de tabel op de volgende pagina is te zien hoe de 8 sectoren zich verhouden om een bepaald type docent-leerling relatie weer te geven.

figuur 2.2. acht typen leerling-leraar relaties


Een profiel van een duidelijkheid biedende, ideale leraar kan getypeerd als volgt:

Zeer sterk leidend en daar tegenover een minimale onzekerheid. De sectoren ‘ruimte gevend’ en ‘streng’ zijn middelmatig en in even sterk vertegenwoordigd. Vriendelijk/helpend gedrag is ruim vertegenwoordig en brengt ‘ontevredenheid’ tot een zeer kleine aanwezigheid. De sector ‘begrijpend’ is als tweede de grootste sector in dit profiel en staat tegenover een kleine corrigerende houding van de leerkracht. Boven-samen is als sterkst vertegenwoordigd en tegen-onder als zeer minimaal.